Nieuwe alinea
Ontspannen in het niet weten
De spagaat van de bestuurder
Soms ervaar je hoe het is om zelf namens een club betrokken bewoners met bestuurders te spreken. We zaten aan tafel. Of eigenlijk: we waren allemaal aanwezig. Dat is iets anders. De wethouder was er. Wij waren er. Woorden werden uitgewisseld, standpunten toegelicht, toezeggingen gedaan. En toch was er geen gesprek.

Ik ken dit fenomeen uit mijn werk. Ik beschrijf het aan anderen, ik train mensen er op, ik begeleid processen waar het precies de kern van het probleem is. Maar daar zat ik dan, als voorzitter van een bewonersorganisatie, aan de andere kant van dezelfde dynamiek. En ik dacht: ik snap het wel, maar ik wil het niet. Dat maakte het er niet gemakkelijker op.
Wat ik zag was geen bestuurlijke onwil. Onwil is makkelijker — dan weet je tenminste waar je aan toe bent. Wat ik zag was iets ingewikkelder: iemand die het wil, maar vastzit. Vast in de inhoud. Vast in de positie. Vast in de verwachting van de eigen achterban. En daardoor onbereikbaar wordt; niet als persoon, maar als gesprekspartner.
De spagaat van de bestuurder
Een wethouder heeft geen tijd om alle dossiers te doorgronden. Ze vertrouwt op haar mensen. Dat is logisch, dat is ook hoe het hoort. Maar dat betekent ook: ze kan in een gesprek niet echt inhoudelijk deelnemen zonder het risico te lopen gecorrigeerd te worden, of erger, betrapt op onwetendheid. De onzekerheid die dat oplevert is reëel. En onzekerheid maakt mensen defensief.
Daarboven op: een wethouder heeft ‘positiemacht’. Positiemacht is vreemd bezit. Je hebt het, maar je hebt het van anderen. Het is altijd situationeel, altijd conditioneel. En dus zit er permanent een achtergrondgeluid in je hoofd: pas op. Zorg dat je niet door de mand valt. Zorg dat je de verwachting van je achterban waarmaakt. Dat geluid maakt het bijna onmogelijk om werkelijk te ontspannen in een gesprek; om nieuwsgierig te zijn, om niet te weten, om van positie te veranderen als je overtuigd wordt.
En dan is er nog de wens aardig gevonden te worden. Menselijk en herkenbaar. Maar in een moeilijk gesprek leidt het tot een rare kronkel. De bestuurder voelt dat ze teleurstelt. Ze wil de verbinding niet verliezen. En dus praat ze; uitleggen, toelichten, verzachten, in de hoop dat het ongemak overgaat. Terwijl de verbinding daardoor steeds verder uit beeld raakt.
Het resultaat is iemand die aan het woord is maar niet aanwezig is. Die reageert maar niet luistert. Die er is, maar niet bereikbaar.
Wat doe je daarmee?
Van iemand van wie ik beter had verwacht - en waarbij ik me tegelijkertijd realiseer dat die verwachting zelf misschien al het probleem was - leerde ik opnieuw iets wat ik eigenlijk al wist. Namelijk dat de context van een gesprek net zo bepalend is als de intentie ervan.
Je kunt iemand niet dwingen tot een echt gesprek. Je kunt niet genoeg uitleggen, niet genoeg bewijs aanleveren, niet genoeg geduld opbrengen om het ongemak en gebrek aan verbinding weg te werken. Het zit niet in de feiten. Het zit in de veiligheid, of het ontbreken daarvan.
De vraag die mij bezighoudt is deze: hoe hou je als bewonersorganisatie, als betrokkene, als professional het vertrouwen levend in een gesprek dat structureel tekortschiet? Hoe blijf je oprecht aanwezig zonder je eigen agenda op te geven? Hoe hou je de deur open, terwijl je ook eerlijk bent over wat er níet gebeurt?
Ik vermoed dat de antwoorden ergens in de buurt liggen van: minder verwachten van het gesprek zelf, en meer investeren in de relatie eromheen. Van: zelf de veiligheid creëren die de situatie niet biedt. Van: ontspannen in het niet-weten, ook als je weet dat je meer weet.
Maar makkelijk is het niet. En iedereen die weleens aan zo'n tafel heeft gezeten - aan beide kanten - herkent dat, denk ik.





